De besparingsmarge van de toekomst

In de ziekenhuismarkt vallen drie van de vijf geneesmiddelen die de ziekteverzekering het meeste geld kosten, in de categorie van de zogenaamde biologicals. Dat zijn geneesmiddelen die worden geproduceerd via processen met biologisch weefsel of met technieken uit de biotechnologie. Een aangename tijding voor de bedrijven die zulke geneesmiddelen verkopen, maar voor de ziekteverzekering is het minder goed nieuws.

Traditionele geneesmiddelen die worden verkregen via chemische processen kosten gemiddeld 22 keer minder. Die drie dure vogels uit de hitparade van het Riziv zijn geneesmiddelen tegen reumatische aandoeningen. Ze kosten de ziekteverzekering jaarlijks meer dan 300 miljoen euro. En die kostenpost groeit elk jaar nog eens met 10 tot 15 procent.

Voorlopig is de populariteit van die biologische of biotechnologische geneesmiddelen nog niet problematisch, maar naar alle verwachting zal het belang van dat type geneesmiddelen de komende jaren fors toenemen. En dan stijgt ook de kostprijs van het geneesmiddelenbudget in de ziekteverzekering. Febelgen, de federatie van producenten van generische geneesmiddelen, wijst daarom op het niet te veronachtzamen besparingspotentieel van zogenaamde biosimilars. Die biosimilars zou je het antwoord van de generische industrie op de biologicals kunnen noemen.

Voor alle duidelijkheid: een generisch geneesmiddel is de identieke chemische substantie van een merkgeneesmiddel waarvan het octrooi is vervallen. Een biosimilar is daarentegen een kopie van een biotechnologisch middel. Omdat die laatste gemaakt worden met levend materiaal, is er per definitie altijd een variatie. En die leidt vanzelfsprekend tot discussie onder wetenschappers; al spreekt het voor zich dat de goedkeuringsprocedures van het Europese Geneesmiddelenagentschap (EMA) elke therapeutisch relevante variatie uitsluit. Anders gezegd: therapeutisch zijn biosimilars mits de goedkeuring van een arts een perfect alternatief voor biologicals waarvan het octrooi is vervallen. In ons land is dat nog maar voor drie geneesmiddelen het geval. Het bekendste daarvan is epo.

Opvallend genoeg beschouwt pharma.be, de beroepsfederatie van de traditionele geneesmiddelenproducenten, biosimilars niet als de exclusieve speeltuin van de generische industrie. Ook bij onze leden zitten producenten van biosimilars, benadrukt communicatiedirecteur Christine Vanormelingen.

Als die nieuwe categorie kostelijke geneesmiddelen zo populair is, dan wordt prijscompetitie zodra het octrooi is vervallen vanzelfsprekend maatschappelijk erg relevant. Anders dan bij klassieke generische geneesmiddelen zijn er echter bijkomende klinische tests nodig. Die zijn duur en daardoor is de markt van de biosimilars uitsluitend weggelegd voor stevige multinationals. Voor de kostprijs van biosimilars maakt het niet uit of een generisch bedrijf dan wel een traditioneel farmabedrijf het product maakt, zegt Vanormelingen. Het blijft sowieso duur. Bovendien worden die geneesmiddelen voornamelijk voorgeschreven in ziekenhuizen. Daar is de prijs altijd een onderdeel van een onderhandeling tussen het ziekenhuis en de geneesmiddelenproducent. Kostenbesparingen zijn perfect mogelijk in zo'n negotiatie.

Ik kan me toch niet van de indruk ontdoen dat een defensief discours wordt gevoerd dat herinnert aan de houding tegenover de generische geneesmiddelen van vijftien jaar gelden, reageert Joris Van Assche, voorzitter van Febelgen. Alleen is de inzet nu veel groter. Door de initiële investeringen zijn de gevolgen voor de fabrikanten veel groter. Als we niet opletten laten de producenten van biosimilars de Belgische markt binnenkort links liggen. Dat zou een streep door de rekening van de regering-Di Rupo zijn. Anne Henderickx, adviseur bij het kabinet van de minister van Volksgezondheid, Laurette Onkelinx (PS), laat er in elk geval weinig twijfel over bestaan. De besparingen van 2020 kan het Riziv vinden bij de biosimilars. Het is dus van belang dat daar aandacht voor komt.

Op dit moment zijn er in Europa nog maar drie biosimilaire geneesmiddelen op de markt, maar dat aantal zal de komende jaren stijgen. Tegen 2016 vervalt het octrooi van tien biologicals in België, samen goed voor ruim 350 miljoen euro op het Riziv-budget. Nu is tijdens de parlementaire studiedag eind november gebleken dat België achterophinkt in het gebruik van de beschikbare biosimilars. Terwijl in de rest van de Europese Unie het gemiddelde verbruik al rond 10 à 12 procent ligt, blijft het in ons land nagenoeg onbestaande. Nochtans zou het gecumuleerde besparingspotentieel het komende decennium oplopen tot honderden miljoenen.

Juist omdat de investeringen fors zijn, zijn de uitdagers op de Belgische markt beperkt. Enkel Sandoz, Teva en Hospira bieden bij ons biosimilaire geneesmiddelen aan. De kostprijs voor ontwikkeling is inderdaad hoog, bevestigt Van Assche. Daarom vergt het veel moed en strategie. Maar competitie is een noodzakelijk breekijzer om de prijzen te verlagen. En dat het prijsverschil klein zou zin? Als één middel 100 miljoen euro van het Riziv-budget opslokt, dan betekent een prijs die een paar procenten lager ligt, ook meteen miljoenen euros aan besparingen.

Het zal nog wel even duren eer het zover is. Volgens Febelgen is er nog een fikse informatiekloof te dichten voor de biosimilars gemeengoed worden. De beroepsvereniging is daarom blij met een voorstel om biosimilars te laten meetellen voor het quotum goedkoop voorschrijven. Als zo'n maatregel er komt, is het een van de traditionele recepten om competitie op de geneesmiddelenmarkt te bevorderen. Maar allicht volgen er nog meer ondersteunende maatregelen, zoals een forfaitaire terugbetaling voor epo. Want niet enkel in de toekomst, maar ook vandaag kunnen biosimilars al besparingen opleveren, benadrukt Van Assche.

Bron: Trends, 13 december 2013

Geplaatst: 2013-03-15