Geschiedenis van de reumatologie

Omdat ik al jaren verknocht ben aan alles rond 'geschiedenis' houdt de historische achtergrond van de reumatologie me evenzeer bezig. Ik deed hierover wat opzoekingswerk en heb een kort overzicht gemaakt voor de geïnteresseerde lezer.

Al in de vijfde eeuw voor Christus maakt Hippocrates, de beroemdste Griekse geneesheer die geboren werd in 460 v.Chr. en de grondlegger is van de medische wetenschap, in zijn geschriften melding van gewrichtsontstekingen, ofwel artritis.

De term 'reuma' wordt voor het eerst gebruikt in de eerste eeuwen van onze huidige jaartelling en verwijst naar pijnen in gewrichten die – zo dacht men – veroorzaakt werden door 'uittreding' van één van de vier essentiële vloeistoffen die deel uitmaakten van het lichaam. De betreffende vloeistof "phlegma" of slijm,  zou in de gewrichtsholten 'druppelen' en daar ontsteking veroorzaken. Hieraan herinnert nog het woord jicht, het Engelse gout, afkomstig van het Latijnse woord gutta, hetgeen druppel betekent.

De naam reumatoïde artritis wordt afgeleid van het Griekse Rheumatos wat "stromend" betekent, en dit leidde aanvankelijk tot de term "reumatische koorts", een ziekte die het gevolg kan zijn van keelbesmettingen en die gepaard gaat met gewrichtspijn. Het achtervoegsel - oid betekent "lijkend op", d.w.z. het lijken op reumatische koorts. Arthr betekent "gewricht" en het achtervoegsel - itis, een "toestand die ontsteking impliceert". Aldus was reumatoïde artritis een vorm van gewrichtsontsteking die op reumatische koorts leek. Reumatoïde artritis verschijnt reeds in schilderijen van meer dan een eeuw vóór de eerste uitvoerige medische beschrijving van deze ziekte in 1800 door Landre-Beauvais beschreven werd.

De reumatische aandoeningen kregen in het begin van de 20e eeuw weinig belangstelling van de medische stand. Aan reumatische klachten ging je over het algemeen niet meteen dood en de gevolgen van de aandoeningen werden beschouwd als onderdeel van het verouderingsproces. Tot een halve eeuw geleden kon er aan de meeste aandoeningen niet zoveel gedaan worden. Er was nauwelijks wat bekend over de mate waarin de reumatische aandoeningen in de bevolking voorkwamen. Voor de dokter was er aan een reumapatiënt weinig eer te behalen. Hij had weinig tot geen kennis over processen die de reumatische afwijkingen veroorzaakten. Werd hij geconfronteerd met patiënten met pijn en deformaties van de gewrichten, dan kon hij geen effectieve behandeling bieden.

De historische behandelingen voor deze aandoeningen omvatten: goudzouten, rijst, acupunctuur, appeldieet, nootmuskaat, af en toe één of andere lichte oefening, netels, bijenvergift, koperarmbanden, rabarberdieet, rust, extracties van tanden, vasten, honing, vitaminen, insuline, magneten en elektrische convulsietherapie.

Ondanks de omvang van het probleem kon de reumatologie pas echt tot ontwikkeling komen binnen de reguliere geneeskunde toen er aanknopingspunten kwamen voor de ontstaansmechanismen van de reumatische ziekten. In de jaren '40 en '50 werden de reumafactor en de LE-cel ontdekt. Tevens werd bekend dat prednison (bijnierschorshormoon) de gewrichtsontstekingen krachtig kon onderdrukken. Hiermee werd duidelijk dat bij de reumatische aandoeningen immunologische mechanismen een belangrijke rol spelen, in het bijzonder de auto-immuniteit (afweer tegen het eigen lichaam). Dit gaf de reumatologie een pathogenetisch (behorend tot ontstaan en ontwikkeling van ziekten) mechanisme en binnen de medische gemeenschap een legitimatie om als specialisme verder te kunnen ontwikkelen.

Begin jaren '60 was een aantal reumatische aandoeningen die we nu kennen, nog niet gedefinieerd. Veel werd onder de noemer van reumatoïde artritis geschaard. Dat kwam omdat de diagnostische methoden heel beperkt waren. Een jaar of vijf daarvoor ruzieden de specialisten nog over het verschil tussen jicht en RA, en of de ziekte van Bechterew een vorm van RA was. In de jaren zeventig maakte de diagnostiek belangrijke vorderingen. Zo was HLA B27 net gevonden. Dit is een gen dat tien keer vaker voorkomt bij Bechterew-patiënten dan bij gezonde mensen. Geleidelijk werden ook andere vormen van reuma onderscheiden, zoals diverse vormen van jeugdreuma en de ziekte van Lyme.
Als behandeltherapieën werden in 1971 hoge dosissen aspirine voorgeschreven, later gevolgd door ontstekingsremmende pijnstillers, anti-malariatabletten en goudinjecties, maar ook mierenzuurinjecties. In die tijd vonden de eerste gecontroleerde onderzoeken naar het effect van goud en Imuran plaats. Langdurige rust en spalken om de gewrichten te ontlasten, behoorden tot de standaard behandeling. Opnames van een jaar of langer waren geen uitzondering. Rust en spalken leidden vaak tot botontkalking en spieratrofie, een afname in spierweefsel.

Inmiddels is er veel veranderd op het gebied van de behandeling van reumatische ontstekingsziekten zodat je patiënten ziet die al vijf jaar RA hebben zonder een enkele gewrichtsbeschadiging. Door het vroeg stellen van de diagnose en het vroeg starten van medicijnen in hoge doses is het leven van de RA-patiënt veranderd. Daarbij spelen de vorderingen in de orthopedie de laatste dertig jaar ook een grote rol. De psychische en sociale consequenties van RA waren vroeger enorm en zijn dat nog steeds.

Lijst van bekende personen met reumatoïde artritis
James Coburn
Viveca Lindfors
Kathleen Turner
Aida Turturro
Barry Gibb
Lucille Ball
Edith Piaf
Christiaan Barnard
Pierre Auguste Renoir
Billy Bowden
Rosalind Russell
Sarah Orne Jewett
Debbie Boyle
Peter Paul Rubens (De kunst van Rubens  kan de gevolgen van reumatoïde artritis aantonen, want men veronderstelt dat hij zijn eigen handen als model gebruikte. In zijn recentere schilderijen tonen zijn handen verergerende misvormingen die overeenkomen met de symptomen van de ziekte.)

De geschiedenis van aspirine
De historie van aspirine gaat meer dan 3500 jaar terug. Geschriften uit de vijftiende eeuw voor Christus maken melding van het kauwen op gedroogde mirte-bladeren (mirte is een soort heester) tegen rugpijn en reumatische pijn. Duizend jaar later maakt Hippocrates vele mensen blij met een drankje dat hij wint uit de wilgenboom. Dit drankje werkt tegen koorts en pijn, waaronder barensweeën. Na de periode van Hippocrates verdwijnt de heilzame werking van het drankje van de wilgenboom uit de geschriften. Tijdens de middeleeuwen wordt het extract uit de wilgenboom echter wel degelijk nog gebruikt in de volksgeneeskunst.

In de 17e eeuw maken de Spaanse veroveraars in Zuid-Amerika gebruik van kinine om koorts tegen te gaan. Kinine wordt vervolgens naar Europa gebracht en gebruikt als koortsbestrijder. Begin 19e eeuw echter wordt door een oorlog een handelsblokkade opgeworpen tussen Engeland en het vaste land van Europa. Hierdoor wordt men in Europa gedwongen naar een alternatief koortswerend middel te zoeken. Dit is de reden om het onderzoek naar het gebruik van het extract (sap) uit de wilgenboom weer nieuw leven in te blazen.

Het drankje dat uit de wilgenboom wordt gemaakt, smaakt erg vies en de hoeveelheid wilgenbomen is te klein om aan de enorme vraag naar een goede pijnstiller/koortsweerder te voldoen. Een Italiaan weet de werkzame stof uit het wilgendrankje te identificeren: salicylzuur. Andere chemici experimenteren verder en middels een chemisch proces genaamd acetylatie ontstond een synthetische variant: acetylsalicylzuur. Uiteindelijk maakt de chemicus Dr. Felix Hoffmann - werkzaam bij het farmaceutische bedrijf Bayer - in 1897 een stabiele, synthetische variant van acetylsalicylzuur. Bayer brengt het stabiele acetylsalicylzuur als geneesmiddel op de markt onder de naam Aspirin.
Binnen korte tijd wordt Aspirin wereldwijd de meest bekende pijnstiller en begin 20ste eeuw wordt Aspirin gezien als een universeel geneesmiddel dat overal tegen helpt.

Van merknaam naar soortnaam
In vele landen waaronder de Verenigde Staten, wordt de merknaam Aspirin na verloop gebruikt als soortnaam. 'Een aspirientje' refereert niet meer zo zeer aan Aspirin, maar meer aan een pijnstiller.

Acetylsalicylzuur is sinds 1899 internationaal op de markt. Het is zonder recept verkrijgbaar onder de merknamen Aspirine, Alka Seltzer en Aspro en het merkloze Acetylsalicylzuur. Het is te verkrijgen in gewone tabletten, bruistabletten, kauwtabletten, poeders en injecties.

Acetylsalicylzuur behoort tot de groep geneesmiddelen die ontstekingsremmende pijnstillers worden genoemd. Ook kom je ze tegen onder de naam NSAID's. Het werkt pijnstillend, ontstekingsremmend en koortsverlagend. Acetylsalicylzuur geeft relatief vaak bijwerkingen op de maag en op de bloedstolling. U kunt daarom meestal beter een andere pijnstiller gebruiken, zoals paracetamol, ibuprofen of naproxen.

Door beschadigingen in en rond gewrichten kunnen deze ontstoken raken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij reumatoïde artritis, artrose (versleten gewrichten), blessures van gewrichten, pezen en slijmbeurzen en bij de ziekte van Bechterew. De plek van de ontsteking is rood, gezwollen en pijnlijk. Acetylsalicylzuur gaat de ontsteking tegen, hierdoor verminderen de roodheid, zwelling en pijn. Het pijnstillende effect merkt u binnen een half uur na inname. Dit effect houdt drie tot zes uur aan. De roodheid en zwelling zullen na een aantal dagen tot een week minder worden.

Acetylsalicylzuur wordt onder andere gebruikt bij gewrichtspijn, reumatoïde artritis en artrose. Voor deze klachten hebben andere ontstekingsremmende pijnstillers de voorkeur, zoals diclofenac, ibuprofen en naproxen. Deze geven namelijk minder kans op bijwerkingen dan acetylsalicylzuur en dit is vooral bij langdurig gebruik van belang.

Mia, 18 mei 2009